Iranreis: Iranofielen gelogenstraft?

Er bestaan in Nederland, geloof het of niet, échte Iranofielen. Zij schrijven reistijdschriften vol over de werkelijk práchtige Iraanse natuur of vullen ze met mooie ik-ontmoet-dé-Iraniër-anekdotes waarin hun liefde voor het Iraanse volk volstrekt ondubbelzinnig en met een haast ongegeneerd gebrek aan ironie tot uitdrukking wordt gebracht. Steevast wordt met betrekking tot dit laatste ´de unieke gastvrijheid van het Iraanse volk´ in volle vervoering benadrukt. Helaas creëren deze ‘Arische´ liefdeshymnen hoge, zo niet transcendente verwachtingen, die, zeker als ze tijdens een nachtvlucht naar de beloofde heilstaat worden geconsumeerd door een naïeve, door krijsende kinderen tot insomnia veroordeelde lezer, erom vragen keihard gelogenstraft te worden. Hetgeen dan ook, zij het in slechts in eerste instantie, geschiedde .

Dag één in Iran begint met een kil, maar, besluiten wij hoopvol, beloftevol lentezonnetje dat op dit vooroorlogs vroege uur brutaal in de ogen van onze chauffeur schijnt. Met een bitse ruk klapt hij het zonneklepje naar beneden. Zijn ogen kijken me niet aan door de achteruitkijkspiegel, wel turen ze nors naar de vliedende weg voor hem. Naast Farsi spreekt hij twee woorden Turks en één woord Engels waar ik, hoe moeilijk me het ook valt, geen #metoo-grappen over ga maken:¨Yes¨. Aard en toedracht van alle tot hem gerichte vragen doen derhalve niet ter zake. Achter ons ligt het vliegveld, voor ons laat Teheran stukje bij beetje haar plompe, volslanke lijf zien. Groot en grijs doemt de stad op in de schaduw van de besneeuwde toppen van het Elburz-gebergte. Teheran is geen esthetisch wonder, zoveel is duidelijk.

Voor mij op de passagiersstoel zit P., mijn stiefvader. P. is diabetespatiënt (type 1), 70 jaar, man van Drents-Groningse komaf én behept met een dito karakter. Een man van ´ut kom wel gaud´. En ´gaud is goed in de zin van een gaudgemoedelijk, gaudvriendelijk en staat in totaliteit voor een gaudfijn mens in het bijzonder. Helaas betreft zijn gaud ook een minder goed: gaudkoppig, gaudnors, gaudonverschillig en gaud-nooit-lezend kunnen helaas niet in het rijtje grunǵs-drèènse gaud-adjectieven van subject P. ontbreken. Zeker ten aanzien van zijn ziekte is zijn houding van zulks aard dat ´ut kom wel gaud´ ook zomaar wel eens zijn laatste woorden zouden kunnen worden zodra hij de inname-eisen van zijn ziekte als loze leefregels daarmee zoals vaak in het verleden terzijde schuift, in een schuimbekkend delirium geraakt en zonder – in dit geval – mijn hulp op een Iraans-Armeens kerkhof diep in de zo schaarse christelijke grond zal eindigen. P.´s nieuwe vriendin (na mijn moeder) heeft mij de afgelopen maanden dit gevaar eufemistisch gesteld, redelijk goed op en aardig diep in het hart gedrukt. Een vervaarlijk vat voor mij, mijn P., gevuld met een mengsel chemicaliën dat snel ontploft als van de juiste balans ook maar een tikkeltje wordt afgeweken.

´Ik wil Iran nog eenmaal zien´, zei P. vier maanden geleden bij de koffie en met een stuk verse HEMA-appeltaart nog in de mond, tijdens mijn visite aan zijn Emmense bungalow, ´een onderneming die ik graag met jou zou willen uitvoeren.´ Da´s gaud´, zei ik. Vier maanden later vinden wij elkaar terug in een taxi op weg naar Teheran en staan we de facto aan het begin van onze eerste, en hoogstwaarschijnlijk laatste gezamenlijke reis.

De taxi doorkruist Teheran door haar drukke, brede verkeersaders die steeds smaller worden naarmate we ons doel naderen. Boven de stad pakken zich letterlijk en een beetje figuurlijk donkergrijze wolken samen. Ons hotel ligt in de noordelijke contreien van de stad, middenin een gegoede buurt van monumentale appartementen en in de nabijheid van de besneeuwde bergen waarvan langs de hellingen, zo voelen wij als we de taxi uitstappen, koude, zware luchten afglijden.

Als we kennismaken met de baliemedewerkster van ons hotel weten we nog niet dat Newroz nog maar net begonnen is. De naam verwijst naar het Iraans nieuwjaarsfeest dat op het lentepunt valt dat tevens pinpunt is waarop een bijna twee weken durende nationale vakantie is gespijkerd. De meerderheid van de winkels en in het bijzonder geldwisselkantoren en banken zijn gedurende deze viering veelal dicht. Tot die ontdekking komen we tenminste, als blijkt dat onze kamer nog niet gereed is (logisch het is acht uur) en we de stad alvast intrekken om een deel van onze gouden euro´s te verzilveren voor miljoenen Iraanse rials. Verkoperen, of verbronzen zijn betere woorden voor deze ruiltransactie in deze door inflatie geteisterde economie. We proberen bij de schaarse banken die wel open zijn tevergeefs iets te wisselen. Nee, een bank is geen wisselkantoor, zo wordt ons zonder blikken of blozen duidelijk gemaakt, óók niet als deze functie in sierlijke Latijnse letters op de ramen en lichtbakken pronkt. Hoe wij dat toch kunnen denken. Dit soort apengapende bankklerken, dat hoogst verveeld met tevelen is samengepakt in werkelijk duizenden kantoortjes verspreid over de stad de economie in Teheran overeind houdt, doet me denken aan de trage bureaucratie in Iraaks Koerdistan. Daar is de fin- en de overheidssector alleen in naam gescheiden en zijn er door het cliëntelistische systeem massa´s overtollige baantjes gecreëerd teneinde de afgestudeerde zoontjes en soms ook dochtertjes van begunstigden ook een werkend leven te geven. Wat ik nu zie kan een variant daarvan zijn. Verveling leidt vaak tot luiheid en in relatie tot deze bankklerken tot een buitengewoon onaangenaam gebrek aan servicegerichtheid. De potentiële klant is niet de koning maar de knecht, de ontvanger van een gift waarvoor hij zich dankbaar dient te betonen. De balie-koninkjes en -koninginnetjes wuiven ons telkens weg, nog net niet met een toegekeerde handrug, horizontaal pendelend. Schijtperzen, voorlopig noem ik jullie bij de Griekse naam (Πέρσης).

P. moet eten, anders gaat zijn lijf raar doen. Zijn ogen rollen al een beetje en zijn huid begint rood en vlekkerig uit te slaan in de nek en op de wangen. Het is koud en we lopen over stoepen die om de zes, zeven meter wisselen van hoogte, tegelsoort, legpatroon en hoogte, waarschijnlijk omdat ze bijbehorend vastgoed zijn van de woningen aan wier voorzijde ze liggen en elke huiseigenaar zijn trottoir naar eigen inzicht vormgeeft. Ik doe een extra trui aan. Kale, door het verkeersroet bijna verkoolde bomen zijn gepland op nog geen twee meter van elkaar, ze scheiden de stoepstukken van de wegen of vormen een spookachtige middenberm. Het troosteloze beeld van de kaalgeslagen bomen geeft goed weer hoe ik mij voel. Godzijdank was het wisselgeld van onze visum die we op het vliegveld in euro´s betaalden, geretourneerd in rials, zodat we net genoeg hebben om bij een net geopende supermarktje wat water en – hoe dramatisch – brood te kopen.

We besluiten na in een kil parkje wat gegeten en gedronken te hebben, terug te lopen naar ons hotel. Newroz, verdomme, ik had het kunnen weten. De Iraakse Koerden, die by the way zelf een soort Farsi spreken – ze zeggen dat hun taal het dichtste van alle talen bij de die van de Meden ligt – vieren het ook. Als bij het hotel arriveren, vleien we ons in de foyer neer in een van de grote banken. Drie uur hebben we nog te gaan voordat we kunnen inchecken en eindelijk, na een nachtvlucht, een paar uur te kunnen slapen. Dan, rond een uur of half elf, toont de baliemedewerkster haar Iraanse aard. Onze kamers zijn versneld gereed gemaakt. Een gastvrije Iraanse dus, geen schijtpers. We zullen er nog vele Iraniërs tegenkomen.

1 Comment

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *