Iraniërs. Volk van volksambassadeurs

Het irriteert me als clichés bewaarheid worden. Ze zijn immers de hoogmoedige Icarus-ballonnetjes die door mensen als ik, i.e. eigenwijze, betweterige bloggers, doorgeprikt dienen te worden. Al is het maar om daarna de langdurige vrije val met lage, aardse en een beetje valse tonen te bezingen en ondertussen de ‘eigenlijke’ realiteit achter het vooroordeel te ontsluieren. Dat is de fun van bloggen, hoe oppervlakkig mijn uitwerkingen ook mogen zijn.

De beroemde ‘gastvrijheid’ van het Iraanse volk nam ik voor een dergelijke platitude, misschien ook omdat het wantrouwige, nukkige Koerdenvolk uit Noord-Irak als mijn referentiekader diende. De gastvrijheid is er en de gelaagde bedoelingen achter dit decorum ontkrachtten deze niet. De laatste hebben me diep ontroerd en mogelijk zelfs een iranofiel van me gemaakt.

Pietà‘, denk ik, als ik mijn stiefvader Paul zijn diepste slaap zie slapen op zijn te kleine boxspring in onze sauna-warm gestookte hotelkamer. Ons hotel staat als een van de minder gedecoreerde gebouwen tussen ambassades van allerlei kleine Zuid- en Midden-Amerikaanse landen die zich in de gegoede buurten van Teheran-Noord hebben verzameld. Pauls bewusteloze bewegingen hebben het marmerwitte laken onder zijn lijf een mooie complexe plooiing gegeven. Zijn hoofd is iets te ver over zijn kussen gedrapeerd, waardoor zijn nek en kin iets omhoog steken; voeten zweven in de lucht buiten de schoot van het bed. Zo stijf bevroren ligt hij daar, dat ik er even bang van word. ‘Niets meer aan doen’, fluister ik tegen mijzelf, terwijl ik een eerste straal ochtendlicht door een kier in de gordijnen zie schijnen en al verlang naar een kop oploskoffie, ‘de mensheid is gered.’ Dan, plots, volgt er beweging: lippen openen zich en laten een harde slaapkreun ontsnappen. Een windje ratelt zijn weg omhoog. De gestorven messias maakt plaats voor de al te levende Drent. Paul draait zich met een directe, beweging van zijn rug op zijn zij en vervolgt met luid gesnurk zijn nachtelijke tocht door dromenland. Als dag en nacht in het onbekende zijn we. Hij is misschien voor mij nog een vreemder land dan dat waarin we ons bevinden.

De kafferblik. Zo noem ik de afkeurende, soms zelfs haatdragende oogopslag van religieuze, bozige jongemannen in moslimlanden als een witte westerse man hun gezichtsveld binnendringt. In de metro zie ik een enkele kafferblik op mij richten, maar veel zijn het er niet. Hoe anders is het in de straten van Suleymaniyah of Erbil. Het is de tweede dag van onze Iran-trip, waar we de eerste vooral aan bijslapen en het zoeken naar een wisselkantoor besteed hebben.

De meerderheid van de forenzen kijkt niet of juist heel geïnteresseerd en vriendelijk. Het is druk. Paul zit met zijn twee boodschappentassen – ‘ik hou niet van rugzakken’ – op zijn schoot op het eindpunt van een van de lange, blauwe armleuningsloze banken. Ik sta bij de deuren die achter en voor me open- en dichtklappen. Naast Paul zit een oudere man met grijzige borstelige Nietzsche-snor. Hij legt gemoedelijk een hand op zijn linkerschouder. Zijn ‘Welcome to Iran!!!’ klinkt zowel formeel als hartverwarmend, een beetje zoals een ambassadeur een bevriend staatshoofd welkom heet in zijn eigen land. Paul schrikt er een beetje van. ‘Zou hij geld willen hebben?’ De besnorde man vraagt Paul vervolgens in gebroken Engels waar we heen gaan. Mijn stiefvader antwoordt in zijn geinige Anglais-Hollandaise; ‘zankjoe, we ar qo-ieng toe da palas off de sejah’ en geeft me lachend een knipoog. De ‘Kakh-e Kolestan’ roep ik beide mannen in steenkolenfarsi toe. De grijssnor knikt nadrukkelijk en roept ‘aaah beautifulllll!’

Iran, maar dat weten wij dan nog niet, puilt uit van dit soort ambassadeurs. We moeten er even aan wennen gedurende het vervolg van de reis: zo vaak aangesproken worden door mensen die géén geld van je willen, maar je welkom willen heten. Dat is wat iedereen al zei. Wat zit daar achter? Natuurlijk zit er meer achter dan enkel een welkomstgroet. Men laat zien dat je gezien wordt en men laat zich zien. Dat laatste vooral. Na het welkomstwoord valt het me op dat de Iraniërs vrijwel altijd informeren naar wat je van hun land vindt. Als je dan iets over schoonheid en cultuur brabbelt is hun dat vaak niet genoeg, hoe welbespraakt en goedgeïnformeerd het relaas ook is, ze willen horen wat je van ‘het volk’ vindt.

‘Hét Iraanse volk’, zou ik een anderhalf week en vele welkomstgesprekjes later om net wat te voldane, shakespeariaanse toon aan de jongedame vertellen die mij in Isfahan rondleidde, ‘bestaat uit mensen zoals jij, aardig, gastvrij, voornaam, belezen en modern, ik ervaar werkelijk geen verschil tussen jou en een goede vriend uit mijn eigen land.’ Ze riposteerde met de stralende glimlach van een knappe Perzische vrouw, die me niet alleen ontroerde vanwege de schoonheid ervan, maar juist omdat dit was wat zij, en met haar alle Iraniërs, wilde horen. In Iran ben je als Europeaan een stukje biologische vrijheid, je bent in hun ogen nooit helemaal ‘in’ hun land, overal waar je je voeten neerplant is de bodem imaginaire Europese grond. Zij zijn dan de ambassadeurs; ze heten je welkom, steeds opnieuw sta je aan de grens en word je met een warme welkomstgroet binnengelaten, niet in naam van het regime, maar in naam van het volk. Volksambassadeurs. Ze lijken te willen zeggen: ‘Wij zijn niet het regime, we zijn niet anders dan jij, kijk maar, luister naar ons verhaal’. Dit appèl om te zien, te kijken en te registreren wie ze wel, en vooral ook wie of wat ze niet zijn, ontroert me elk gesprekje weer.

Ontroerend ook, omdat nu eens niet de grote Ander zich laat zien, zoals deze in de moderne antropologie en filosofie zo eenzijdig de verschillen tussen groepen mensen in het theoretische licht zet en de overeenkomsten onzichtbaar maakt. In wezen, en misschien overdrijf ik, is elk van dit soort welkomstgesprekken een kleine revolutie, een klein verzet tegen de opgelegde identiteit van het regime. Het regime is de instantie die verschil maakt, een, zo blijkt telkens weer, relatief en te overbruggen verschil.

De metroverkopers schieten ons – en ook dat is gek – juist niet als eerste aan. Ze lopen mij straal voorbij met hun geinige Chinese waar: smartphone-prullaria of plastieken parafernalia voor de Iraanse moeder-de-vrouw, allemaal klein genoeg om in de handtas te passen. Ik waarschuw Paul dat we eruit moeten bij de volgende halte. De man met de Nietzsche-snor vraagt Paul wat hij van Iran vindt. Mijn stiefvader heeft niet zoals ik drie kloeke boeken gelezen over geschiedenis van Iran en vertelt dus niets over de Achaemeniden, de grote Shah Abbas, de dichter Hafez of de Hegeliaans-achtige filosofie avant la lettre van de grote denker Mulla Sadra.

‘I like the people, that’s why I’m here’, zegt Paul en terwijl hij zijn fototoestel in de aanslag neemt en de man vereeuwigt. Onder een Iraanse snor zie ik een brede glimlach verschijnen die op het moment dat de foto wordt genomen is overgegaan in een lach. Of we meekomen naar zijn huis voor een kop thee. We wijzen zijn aanbod vriendelijk af. Geld wil hij in ieder geval niet.

Ik kijk verwonderd toe en zal me pas weken later realiseren dat mijn stiefvader de essentie van de Iraanse gastvrijheid intuïtief al veel eerder in de smiezen had dan ik. In zijn slaap een Jezus en eenmaal ontwaakt is hij de twaalfde imam met een fototoestel. Voor mij dan. Eventjes. Vreemde landen.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *