Het voorbeeldige Echec van mijn Pasmatch-match

Jouw formele begroeting wijst op irritatie en doet me vermoeden dat er zo dadelijk, tijdens onze’sessie’, iets rechtgezet gaat worden. Na vele gesprekken schud je doorgaans mijn hand niet meer, maar nu geef je me een onvrouwelijk ferme handdruk. Je kijkt me nauwelijks aan, en vraagt na een zachte verzuchting op luide, ongewoon kille toon of ik wat wil drinken. “Koffie graag”, antwoord ik schuchter. Over je nieuwbakken dameskleren zeg ik nu maar even niets. Dan, kordaat en met een ferme ruk, draai je je rug naar mij toe en loopt naar het apparaat dat verderop in de vestibule ongeduldig staat te pruttelen.

We gaan zitten, elk aan een kant van de tafel, en nemen binnen onzichtbare, formele kaders onze posities in. Nog altijd zijn wij in een voor mij volstrekt surrealistische verhouding tegenover elkaar geplaatst. Jij in de rol van Pasmatch re-integratie consulente, vastgeklonken in -naar mijn mening- het gespannen, hybride harnas van hulpverlener en bijstandspolitie; en ik daartegenover als (dus niet) schuldbewuste probleemeigenaar, de bijstandstrekker alias uitkeringspatiënt. Het is ons gelukkig nooit gelukt het cynische, tragikomische toneelstuk dat uit deze rolverdeling kan voortvloeien overtuigend op te voeren. We spelen in plaats daarvan een atonaal muziekstuk dat wonderwel goed klinkt als het gehoor de individuele noten niet teveel benadrukt. En dat pleit vooral voor jou.

Jij hebt opdracht gekregen mij zo snel mogelijk aan een baan helpen. Er kijken mensen virtueel over je schouder mee: je hebt te maken met gemeentelijke ambtenaren en een chef die het verloop van mijn traject monitoren en hebt last van een overvolle agenda; ik, daarentegen, bevind mij in een een vrije hermeneutische manoeuvreringsruimte die mij ondanks mijn wettelijke verplichtingen en hun steeds strengere formuleringe,n is gegeven en heb daarnaast een vervaarlijke informele positie verworven door te gaan bloggen, door de publieke ander in het spel te betrekken. En ik ken de wet en heb bovendien alle tijd. Hoewel de jure de macht bij jou ligt, is dat de facto niet zonder meer het geval.

We kijken elkaar in principe als gelijken in de ogen, Je hebt je zoals altijd goed voorbereid, ik zie inderdaad een paar van mijn mails in het stapeltje papieren dat je in de vorm van een smalle waaier op de tafel neerlegt. Je gezicht verraadt enige spanning. Ik besef temeer hoe moeilijk ik je het heb gemaakt de afgelopen maanden. “Alle moeilijke gevallen gaan naar Margriet,” dat zinnetje ving ik ooit op van een loslippige collega van je; ik ben niet eens het enige ‘geval’ in jouw overvolle dossier.

De laatste tijd baalde ik van jouw professionele benadering, van jouw groot gevoel voor mensen, en ook dat je voor wat betreft (o.a.) mijn ADD het bij het juiste eind hebt gehad. Ik baalde omdat ik op je gesteld ben geraakt, je ben gaan waarderen en ik je werkelijk, jou persoonlijk, iets verschuldigd ben en mij oprecht dankbaar voel. Deels dankzij jouw adviezen heb ik me kunnen hervinden in een donkere periode. Ik slik nu medicijnen en kan mij ongeëvenaard veel beter concentreren dan voorheen. Hoewel ik wist dat ik nog wel even wat tijd nodig had om tot een baan te komen, wist ik ook dat jij  mij deze in toenemende mate niet zou kunnen geven. “Ik ben al heel coulant geweest met je”, zou je mij later vertellen, “in vergelijking met anderen.” Dat weet ik wel, maar met die anderen heb ik nu eenmaal niets te maken. Wel met jou. Helaas. De uitzondering op de regel die jij enigszins gedwongen van mij hebt gemaakt, moest ik gedwongen ook van jou maken, ik kon niet anders. Je ”mispasmatche” al een tijdje met het in mijn ogen steeds kwaadaardiger wordende systeem van bijstandsregels; wat mij voor een nijpend moreel dilemma plaatste. Daar baalde ik van.

“Je schrijft hele epistels, zo lang, en die ondertoon, Sven…,” het accentueren van mijn naam aan het eind van je zin is het zoveelste teken van je irritatie. Je hebt gelijk. Ik blijf nog heel even in mijn rol en geef als vanouds weerwoord. Ik zeg je niet dat ik de afgelopen weken moedwillig lastig was en expliciet aanstuurde op een breuk, wel met behoud van decorum overigens. Daar is nu het moment niet voor. Epistels van mails schreef ik je, ja van irritant lange lengte, want je bent geen lezer weet ik, met een ondertoon die zonder meer meewarig genoemd kan worden. Terugbemiddeld wilde ik worden, weg van jou en Pasmatch om weer onder de paraplu te vallen van de sociale dienst van Haarlem. Ik wilde het gevecht om meer tijd liever voeren met de instantie die werkelijk wettelijk verantwoordelijk is voor de uitvoer van de Participatiewet. Dat was mijn dilemma en oplossing. En wilde ik je ontzien, je tijdig uit de bufferlinie halen als ik mij gedwongen voelde met scherp te schieten op de Participatiebunker.

Pasmatch neemt een moeilijke positie in. De gemeente(n) laat (laten) jullie de kastanjes uit een heel groot vuur halen, dusdanig dat jullie door diezelfde gemeente(n), als voornaamste financier(s), ter verantwoording kunnen worden geroepen als er iets misgaat en zijn dan vaak ook het eerste doelwit voor boze media en verongelijkte bijstandsburgers. En daarbij is Pasmatch met een transitie bezig.

Ik geloof inderdaad dat er om met de woorden van Jeroen, jouw divisiemanager, te spreken “met een aanpak van “persoonlijke aandacht door goede en sterke professionals” wordt gewerkt. Dat is ten aanzien van mij, op het eerste gesprek na, altijd zo geweest. Al, en dat zeg ik ook tegen Jeroen, zal er nog wel hard gewerkt moeten worden om ook  zeker ook die wat hoger opgeleide groep binnen een groepsbenadering met succes naar werk te begeleiden. En dat zonder deze groep plat op basis vage bedrijfspsychologische theorema’s en middels vlak participatiewetjargon te diagnosticeren. Werkloos-zijn is geen symptoom van een onderliggende psychische afwijking (zoals andersom mijn ADD geen directe oorzaak is geweest van mijn werkloosheid). Een individueel traject zoals ik kreeg….of afdwong, zal bovendien in VVD-land simpelweg te duur zijn. Een nieuwe naam, aangescherpte groepsbenadering en bovenal een andere locatie, kortom, een totale positieve dissociatie qua imago, methodiek en plek tav Paswerk en zijn sociale werkplaatsen, lijken mij wel noodzakelijke processtappen voor het borgen van duurzaam succes.

Ons gesprek is een schaakspel, dat volgens een inmiddels geijkt patroon van zetten (argumenten) verloopt. Het is een ritueel geworden om de gelijkwaardigheid van posities bij elk weerzien steeds opnieuw te verankeren. Pas na dit vaste half uurtje schermen komen de echte zaken aan bod. Ik speel het spel nog eenmaal, pro forma, maar besluit al snel dat het genoeg geweest. Ik vertel je over de baan die mij is aangeboden en behoud daarbij meer reserve dan nodig, niet enkel omdat het sollicitatiegesprek nog moet volgen, maar ook omdat in mijn ogen alleen bloemen het verlossende woord kunnen spreken. Enige opluchting zie ik al wel op je gezicht verschijnen. Daarna zijn we gewoon ons zelf, ik voor het eerst echt, we babbelen wat over kinderen en opvoeding, ouder en ouder worden en sluiten de sessie af met een lach.

Als we bij het afscheid elkaars hand- informeel en hartelijk- schudden, kijk je me wel weer aan. Jij en ik waren in elk geval zeker een ‘pas-match’, ondanks de stroefheid soms die ons in dit traject parten speelden. En dat, laten we dat niet vergeten, in verre van gemakkelijke tijden.

“De bloemen zijn toch wel het minste…”, denk ik, als ik terugfietsend nog eenmaal omkijk. Rokende luitjes bij de uitgang van het enorme gebouw van Paswerk. Pluimpjes wit stijgen op vandaag. Dan ruik ik het frisse geurenpalet van de polderlente en draai mijn gezicht in het zonlicht, en adem langzaam uit.

bedankt, Margriet,

de patstelling voorbij… beiden gewonnen, mission accomplished,

1 Comment

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *