De voetstukjes van Arjan Peters

Arjan Peters waagt het met een ‘Ode aan de 144 tekens‘ iets te zeggen over de verdubbeling van het aantal tekens op Twitter. Niets mis mee, objectief gezien en geeneens een slecht stuk, behalve dat het me mateloos irriteert. Gelijk alle stukken van het oude slag literatuurcritici van zijn generatie, mij tegenwoordig rillingen van ellende over de rug doen lopen. En niet eens omdat de man vanuit zijn eigen obligate Twitteraccount op het moment van zegge en schrijve nog geen 3000 tweets de wereld in heeft gezonden en derhalve weinig benul heeft waarover hij schrijft, maar vanwege zijn repetitieve, in elk stukje opnieuw te funderen positionering van Arjan Peters als de omnia-videt-te, alwetende, ongelimiteerd erudiete Arjan Peters. Ik geef toe, ik heb mij in mijn studentenjaren op huiskamerfeestjes wat teveel gelaafd aan dit AP-achtige specimen van gevestigde literaire windbuilen die met teveel wijn steevast zo vlak voor middernacht al onze leuke niets-gesprekjes verstoorden door geaffecteerd-hijgend de discussie met elkander aan te gaan over Shakespeares sublimiteit of godbetert de even onderschatte als ongeëvenaarde poëziekunsten van de saaie Claus. Jesses, hoe lang heb ik hun simplistische observaties verpakt in bombastische citatentaal en hoogdravende metaforen voor waar genomen.

Arjan Peter overziet alles. Al zijn observaties dienen net als zijn stukken maar een doel, Arjan Peters op zijn litteraire voetstuk zetten. Daar is in de loop van zijn jaren iets -meer dan- narcistisch in geslopen, maar wezenlijk lijkt me dat iets van apologetische elitair-intellectuele traditie die het scherpst zichtbaar is bij het slag literatuurcritici. Het is niet een ‘kijk-mij-eens-belezen-zijn’, maar een Bourdieu-achtig  ‘ik-mag-iets-zeggen’, want ik beheers de materie tot in de finesses, ergo:  zie mijn eruditie, mijn grote vermogen aan taalkapitaal. De ‘big spenders’ der taal hebben de waarheid in pacht. En dus moet in elk stuk even de oude Griekse of Romeinse schrijver het woord nemen. Catullus wordt in dit stuk als Twitterkoning ‘avant la lettre’ opgevoerd, zogenaamd om zijn clichématige ‘Odi et amo’ als volks-emotionele ontologie van het fenomeen Twitter neer te zetten, maar de jure om een voetstuk onder Arjan Peters de criticus te schuiven. Want Peters staat boven ‘de oprisping’ die Twitter heet. Want de intellectuele elite drukt zich natuurlijk uitsluitend in grote boekteksten uit. Buiten kijf. Daarin schuilt de rede, niet in  144, nou ja met nu 288 tekens, haha misschien een beetje, suggereert Peters. Immers, het Twitter-amusement ‘is beperkt houdbaar’.

Sjugt.

De treurige teneur van elke wereldbeschouwende literatuurcriticus wordt gevormd door de angst van de parvenu. Kritiek leveren op boeken is als een Kantiaanse Kritiek op alle fenomenen, maar ja, kan de criticus het zelf beter dan de schrijvers? Was de eindbaas-criticus Kant slimmer dan Newton?  Kant was een parvenu, een voetnoot van Newton, die veel te lang serieus genomen is juist vanwege de enorme doorwrochtheid en hoogdravende pretentie van zijn taal. Dus moet een parvenu alle twijfel a priori wegnemen door overdreven gebruik van taalkapitaal. Het verschil met de opinies van bijvoorbeeld Arnon Grunberg is tekenend. Grunberg kijkt, analyseert en schrijft, zonder zich druk te hoeven maken om zijn positie.  Een schrijver dus, geen literatuurcriticus, Een verfrissend voorbeeld, zeg ik kritisch tegen mijzelf. Het gaat me natuurlijk niet helemaal niet om Arjan Peters. Geef ik eerlijk toe.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *