Nationale rouw past juist geen stilte

De uitgesproken momenten van nationale eenheid, i.e. momenten waarop op de een of andere wijze het onderscheid tussen ik-mijzelf en wij-Nederlanders wordt opegeheven, zijn voor mij toch vooral de momenten van nationale rouw. Het moet vreugdevol stemmen dat er in ieder geval nog iets overblijft van het eigen karakter juist in de keuzes van de momenten waarin het placht te verdwijnen, maar het tegendeel is waar. Als ik een keuze had, dan zou ik veel liever dit soort momenten ervaren tijdens het WK-voetbal: het lijkt mij namelijk best leuk om mijzelf in een oranje klederdracht kostuum travesteren als een Zeeuws oranjemeisje, me te laven aan een overmaat aan bier, en in dikke Hollandse grietenbillen te kunnen knijpen met het oranjegevoel als alibi.

Maar nee, het zijn de momenten van nationale rouw, en nu is het de dood van zoveel Nederlanders die mij in zak en as verbinden met mijn buren. Natuurlijk hebben de neo-calvinisten op Twitter gelijk als zij het voortdurende leed van de wereld tegenover de de ramp van #MH17 zetten. Ons leed stelt niets voor. De ramp die dan qua kwantitatief en kwalitatief lijden wordt overschaduwd door de dood van honderden Palestijnen, of duizende Irakezen en vele anderen die de laatste tijd een onnatuurlijke dood vonden. Er schemert een oud Godsbesef door deze aanmatigingen heen dat al het individuele verdriet van de mensen in een relatie stelt tot het grandioze lijden van Christus, en resulteert in een gebod om over het eigen verdriet maar te zwijgen.

Het gebod tot zwijgen is een verbod van spreken, het noodzakelijke beperking van de taal tot de mogelijke feitelijkheden van de empirie, een categorisch imperatief om alle kommer en kwel en morele gevolgtrekkingen daarvan in de stille doofpot van de ziel te bewaren. Was het niet Wittgenstein die ooit, in een logisch-positivistisch verleden tot min-of-meer dezelfde conclusie kwam? Gelukkig is God, als mens, als logische eenheid van het al, is toch echt dood. Wat rest de binding tussen mij en mijn buren en het nationale gevoel dat daar vorm aangeeft. En wat eo ipso dus ontbindt is de dood, de abrupte, nietsontziende dood die gehele naburige gezinnen ons heeft ontnomen, zonder reden, zonder motief. “Ons”, mag ik dat zeggen (Mart)? Ja dat mag ik dus zeggen, ik wil het in ieder geval niemand ontzeggen, mijzelf incluis.

Youp van ‘t Hek maaakt zich in zijn column in het NRC kwaad om de BNers die narcistisch hun medeleven getuigen. Ik zie Youp hetzelfde doen maar subtieler dan de BNers die hij er van langs geeft: via een kritiek die de essentie mist. Natuurlijk zijn er hijgerige narcisten binnen op de BN-Olympus, die maar wat graag iets van de attentie van het volk meepikken, maar ik sluit niet uit dat er ook een aantal zijn die net als ik geraakt zijn door het feit dat mensen die niet anders zijn, geen Jihad navolgen of in een land leven waar oorlog de voornaamste traditie is, ineens een geweldadige dood sterven. Naast rouw is er immers ook dat onweerlegbare besef dat ik of u (wij) het ook geweest kan zijn, en dat is met een vermnoorde Palestijn of Iraakse Sjiiet nu eenmaal niet altijd het geval.

Mijn conclusie: nationaal rouwen mag het woord gegeven worden, omdat het geen enkele Nederlander ontzegd mag worden.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *