Hen ek Duoin

En ek duoin_kleinἓν ἐκ δυοῖν

Een uit  Twee (draft)

Vrijdag, 28 oktober,  Fatih, Istanboel:

 

“Deze foto.”

 

Hij grijpt naar de borstzak van zijn colbert, haalt er een plat vierkant glasplaatje uit en legt deze met een ostentatief klapje op de brede tafel voor hem.

“Ik heb de polaroid jaren geleden in onbreekbaar plexiglas laten gieten.”

Met zijn wijsvinger beweegt de man de foto met korte rukjes heen en weer over de gladde lak van het tafelhout. “Kijkt u maar,” knikt hij terwijl hij zijn wijsvinger op het plaatje laat rusten.

De vrouw aan de andere kant van de tafel  staat half op uit haar bureaustoel. Ze strekt haar arm over de tafel heen om het glas te kunnen pakken. Tot haar eigen opluchting schat ze op tijd in dat haar lichaam volledig over de tafel heen zal moeten buigen om het glas te kunnen pakken. Een positie die ze, met haar billen omhoog gebogen over de tafel met haar decolleté in het centrum van zijn gezichtsveld, op zijn zachtst gezegd onwenselijk acht. Licht geïrriteerd gaat ze snel weer zitten. Hij onderdrukt een glimlach en schuift behoedzaam het plaatje als een sjoelsteen over de tafel in de richting van haar nog steeds uitgestoken hand. De vrouw schrikt en vangt  in een reflex het schijfje op tussen haar vingers en het  tafelblad. Een triomfantelijk lachje siert haar mond. Hij knikt lachend terug. Ze neemt het glazen voorwerp in haar handen en begint de afbeelding aandachtig te bestuderen.

Terwijl  Alexandra de foto bekijkt, begint hij te praten.

“Het is een kopie, een polaroid genomen van een oudere foto; het origineel bestaat allang niet meer. De verdwenen eersteling is genomen in de jaren zeventig.

Met haar linker wenkbrauw iets opgetrokken, kijkt de vrouw hem een moment lang in zijn ogen en begint dan de polaroid te onderzoeken. Deze vrouw straalt liefde uit, bedenkt hij, liefde met ogen; bruine, scherpe, analyserende ogen. Ze is wat hij hoopte dat ze zou zijn geworden, en misschien zelfs wel meer dan dat.

 “En ja, ik draag deze foto altijd bij me,” zegt hij nog voordat zij de vraag kon stellen. U wilt vast ook weten waarom ik dat altijd doe?”

Alexandra knikt beleefd, zonder haar ogen van de polaroid af te wenden.

“Om niet te vergeten de tijd te slim af te zijn. En ik ben niet de eerste die deze foto gebruikt om een verleden buiten de tijd te houden. De eerste die er zo naar keek, was mijn moeder. Althans dat heeft men mij verteld.

“Wat ik bedoel met ‘origineel’?  Goede vraag. De eerste fotoafdruk misschien. Natuurlijk is elke foto zelf niet meer een beeld van een beeld, een  afgietsel van een voetafdruk van iets dat ademde, een tijd lang aanwezig is geweest . Het probleem was misschien, u heeft dat waarschijnlijk al wel in de smiezen, dat mijn moeder de foto niet  behandelde als een teken uit het verleden dat zelf in de tijd staat. Ik bedoel: een object waaraan herinneringen kleven die mettertijd muteren, verdwijnen en vervangen worden. In haar beleving verbeeldde de foto een verloren droom die zichzelf steeds bleef herhalen zonder te variëren.  Als in een magische wereld. Jazeker.  Alsof een oermug ineens uit de donkergele barnsteen -het gefossiliseerde hars van een prehistorische boom- kruipt waarin het miljoenen jaren geleden de dood vond en een moment later een jeukende bult op een been achterlaat. “

“Wat ik bedoel daarmee? Nou laat ik  zeggen dat ik misschien op dezelfde manier naar de foto kijk als mijn moeder. Ja, inderdaad, om de tijd te slim af te zijn, al betwijfel ik of haar probleem lijkt op het mijne.  Mijn verhaal verandert wel, steeds als ik het vertel, wat ik niet graag doe om die reden”

 Het ritme waarmee vraag en antwoord elkaar als vanzelf afwisselen wordt verstoord door de steeds langer durende stiltes die de vrouw laat vallen.  De vrouw lijkt inmiddels volledig door de polaroid in beslag genomen. De man zucht, neemt zich voor om zich concreter uit te drukken. Door het raam ziet hij  het grijs en wit van een enorme zilvermeeuw voorbijschieten. Hij besluit een pauze in te lassen.

“Als u mij toestaat het uitzicht te bewonderen?”

De vrouw reageert niet. Pas als hij is opgestaan, naar het raam is gelopen en het adembenemende uitzicht vanuit het smalle penthouse overziet, mompelt zij  iets wat hij niet kan verstaan. Van het kleine stukje Istanboel dat vanuit deze plek in de wijk Fetih nog zichtbaar is, ziet hij de kleine Aya Sofia moskee  in de zon liggen met vlak daarachter  de grijsblauwe Zee van Marmara waarin in de verte, nog net zichtbaar, de contouren van de Prinsesseneilanden de zeehorizon vertekenen.  Deze prachtige ecclesia, nu een moskee, was ooit door een verguisde prins opgedragen aan Sint Sergius en Sint Bacchus. Hij besluit de moskee na afloop van dit gesprek te bezoeken.

“Als u mij toestaat, dan vertel ik eerst het tragische verhaal van mijn moeder en de foto.”  Alexandra lijkt niets te horen.

“Overigens lijkt u als twee druppels water op mijn moeder.”

 

Deze woorden doen de vrouw opschrikken. Ze vloekt binnensmonds, legt het plexiglazen plaatje neer, staat op, strijkt haar rok glad en knoopt de kraag van haar blouse dicht. Bozig kijkt ze achterom hoe de rug van de man afsteekt tegen de marineblauwe hemel boven Istanboel. Ze gebaart hem beleefd maar streng om weer plaats te nemen in de stoel tegenover haar. Zijn voetstappen klinken hol door de stilgevallen ruimte. Net als hij zijn plaats herneemt, breekt een koor van Allahoe Akbar’s los. De Dhur, het middaggebed wordt aangekondigd door wat wel duizend wedijverende stemmen lijken. Een zee van geluiden,  deinend op de cadans van grote rustige golven.

 

“Bij nader inzien…” opzichtig bekijkt hij het gezicht van de vrouw,” ..nee, de gelijkenis gaat toch niet helemaal op.” Ze schieten allebei in de lach.  Mijn moeder….”, vervolgt de man,  nu hij ziet dat de  aandacht van de vrouw  niet meer op de foto is gericht, ” ..nou wat ik weet, is dat mijn moeder deze polaroid tot aan haar dood achter een, andere, grotere foto verborgen hield.”

De lach van de vrouw verdwijnt als sneeuw voor de zon.

“Achter een uitvergrote foto, van A2 formaat, met daarop een behoorlijk erotische afbeelding van haar zwangere zelf. De poster hing op een prominente plaats in de huiskamer aan de muur, een paar decimeter rechtsboven de televisie, op ooghoogte voor iedereen die op een stoel of een van de banken was gaan zitten. Op de foto stond mijn moeder,  gehuld in een wit doorschijnend nachthemd, waar haar enorme zwangere buik, groot en onbedekt uitstak en liefdevol  werd ondersteund door haar beide handen en bovenarmen. In haar glorietijd vereeuwigd, ze was amper 26 jaren oud, en werkelijk, ze gaf licht. Haar verliefde blik was niet gericht op mijn vader, de fotograaf, maar op het leven in haar buik. He was alsof ze ons, ik en mijn  broer, haar tweeling, dwars door de vleeswanden heen al in de ogen keek.

Ja, zwangere vrouwen zijn ontzagwekkend. Vergelijk maar eens een goede foto van een mooie vrouw maar met die van een mooie zwangere vrouw. Het verschil in erotiek, in trots, in houding. Waar de jonge vrouw zich vaak overgeeft aan het verlangen om begeerd te worden,  flirt met het registrerende oog -in dit geval- de fotograaf, zo maakt de zwangere vrouw dit oog volledig overbodig door in alles juist het ontbreken van dat verlangen te laten zien. De zwangere vrouw is in fotografisch opzicht  helemaal niet ‘in verwachting’, maar verkeerd juist in de zeldzame toestand van verwachtingsloosheid.

De foto waarachter mijn moeder de polaroid verborg. Ja daar heb ik het over, een andere dus dan welke u in uw handen heeft.  Ja ik generaliseer een beetje. Dat  is toch helder?  Het klopt dat ik  over dit alles goed nagedacht heb.”

“Elke avond vlak voor het slapengaan plukte zij de polaroid achter haar zwangere zelf vandaan, nam het in haar beide handen, bekeek hem, drukte hem op haar borst, om nooit te hoeven vergeten wat haar moederhart zo onherstelbaar had gebroken. Dat deze oude polaroid haar verdriet gelijk haar herinnering in leven hield, was een groot offer, dat haar te vroege doodbespoedigde. De woorden van mijn grootvader waren van raadselachtige helderheid toen hij later de polaroid aan mij gaf: “Deze foto heeft het sterven van mijn dochter, jouw moeder bespoedigd, maar op jouw gebroken ziel kan het juist een helend effect hebben.”

De psychotherapeut, nou ja een van de velen die mij op last van mijn grootvader- die zelf psychiater was- na de dood van mijn tweelingbroer behandelde, adviseerde eveneens dat ik deze foto moest  gebruiken. Het zou voor de door mij  ‘te plegen rouwarbeid” het juiste werktuig zijn.

Ik bedacht me later pas dat die verborgen foto in combinatie met de afbeelding van haar zwangere geluk waarachter het zich verborg, de zwerende wond was waar zij uiteindelijk aan stierf. Van mijn moeder en vader herinner ik me verder weinig. Bijna niets, eigenlijk.  Ze zijn vlak na elkaar gestorven.

Vreemd, eigenlijk wel ja. Het is dat u dat nu zo zegt.  Er ontbreekt veel in mijn herinnering.. Het ligt ook niet voor het oprapen inderdaad, verstopt en beschut als het is..

Wat ik me dan wel heel helder voor de geest kan halen,?  Het eerste? Ah, dat zijn de logeerpartijtjes van mij en mijn tweelingbroer in Heemstede, bij mijn grootouders. Niet zonder reden, het kinderlijke spel dat we daar altijd speelden is het symbool voor mijn jeugd geworden. Het elfspel noemden we het. Vindt u het goed als ik hier allereerst iets over vertel?

Ok, laat ik beginnen met te zeggen dat het spel pas eindigde op het moment waarop onze slapende grootvader onder zijn voeten was gekieteld, wakker was geworden en ons de kieteldood had gegeven.

..Nee, elf, niet als in ‘boself” maar het cijfer, negen tien en “..”, juist.”

Wat het spel met het cijfer te maken heeft? Ik kom daar zo op terug.  Zoals ik al suggereerde, en ik denk dat het belangrijk is voor u om te weten: het elfspel is een belangrijk spoor geworden waarmee ik mijn jeugd traceer en duid.  Al is er veel, heel veel misschien wel, verloren gegaan. Een oneindigheid lijkt het. Dat is toch belangrijke informatie lijkt me?

Ah, dat vindt u  toch ook. Fijn. Het elfspel is een soort toneelstuk geworden dat mijn broer en ik  opvoerden, een rite met een verbindende betekenis.

Ja-nee inderdaad, een toneelstuk in mijn hoofd, met als decor de statige grootouderlijke villa en de doden zelf als acteurs, en ikzelf, nou ja, als mijn eigen dode geest,

…. Danse macabre zegt u? Ja een beetje wel.

…Of het echt is? Dat weet ik niet. Doet dat er toe? De polaroid waarover wij spraken, en die u overigens nog steeds in uw handen heeft…die is echt. Onmiskenbaar echt. Dat vindt u toch ook?

Ja?..goed zo. En als ik de foto bekijk, en dat doe ik dagelijks, dat heb ik u al gezegd, dan begint het elfspel vanzelf te spelen.

Als muziek op een grammofoonplaat? Inderdaad, op die manier. Of als een stomme film, dat hangt af van uw keuze en wil.

U houdt meer van muziek?

 

Laat mij deze plaat voor u opzetten..

 

**

 

Uit logeren bij opa en oma. Een ochtend als alle andere. Op de zolderkamer liggen we  in het oude tweepersoonsbed. Het is weer eens zover.

Altijd als eerste opgestaan, mijn wakkere broertje Lucien. Zijn hoge stem waarmee hij mij zachtjes wakker maakt; zijn magere hand waarmee hij mijn wang raakt. “Het is tijd, Samuel, kom-kom-komnou, he, wakker worden!” Zijn blijheid is de warme zon, mijn slaap de smeltende sneeuw. Hij neemt me, nog wat stijf en verkleumd, mee de wakkere wereld in.

“Wacht eventjes, Luus, kijk hoe mooi, dat zonlicht. Kijk-kijk, Luus, wacht nog heel eventjes.”

Een bundel ochtendlicht vloeit bovenlangs het voetenend van ons bed. Lucien wacht en kijkt met mij mee. We bestuderen de banen van de lichtstofjes en menen dat ze in cirkels draaien om ons bed en om zwarte gaten die we niet zien. Concentrische cirkelende cirkels.

“Het zijn planeten” zegt Lucien. “Nee”, zeg ik, ” het zijn feeën”  “Ach ze zijn het gewoon allebei. Ja, planeetfeeën. Bestaan die?”

Ja die bestaan.

Kom op Sam, genoeg, straks zijn we te laat en is opa al uit de veren. We moeten gaan, hoe vaak moet ik mijzelf nog herhalen? “, Lucien spreekt met de stem van mamma, “geen getreuzel nu, hup-hup, tijd voor actie. Schiet op!”

Van bovenaan de zoldertrap werpen wij een blik naar beneden. Concentratie! En dan begint het eerste deel van het spel. Lucien voorop, op onze tenen, elke stap voor elke stap tellend, te beginnen bij de eerste trede.

“Vergeet niet: het gaat erom zo min mogelijk passen te gebruiken,” zegt Lucien meer tegen zichzelf dan tegen mij. In vijf passen naar beneden, vier treden overslaan, deze, ja, en deze, pas nouh oh-op!”

We zijn samen een sissende slang op jacht.

Beneden in de halfschemer wacht de lange smalle overloop. De openstaande deuren van de logeerkamers werpen lichtgele rechthoeken over de vloer en overstaande muur. Tussen ons en het einddoel ligt nu een multiversum van planeetfeeën die we moeten doorkruisen. Vanaf stap zes, parallel de gang op, naast elkaar, ik links en hij rechts langs de krakende plank in het midden van de vloer waarop wij een onzichtbare spiegel hebben neergezet. Met dit krakende gevaar tussen ons houden we elkaar in evenwicht door zijn linker en mijn rechter hand ineen te slaan en de armen als elkaar’s steunbeer te gebruiken. Samen de tweedelige brug over de Styx.

Zeven acht, negen, op weg naar de kamer met het grote bed waarvan de deur al op een kier staat. Daar ligt het doelwit, de Moloch, onze slapende grootvader -met naast hem een zich reeds verkneukelende grootmoeder- , te wachten op zijn wederopstanding.

Oma’s lieve stem klinkt zacht in onze oren: “Jongens, jongens, opa is weer door Klaas Vaak gevangen door de aller-allerdiepste diepe slaap die er bestaat.”

Bij elf  – jeueueuh! het oude record dat op twaalf stond is eindelijk verbroken-  houden we op met tellen. Dan is de slaapkamer bereikt en de stappen in de slaapkamer tellen niet. Elf is heilig, zouden wij later concluderen, twee enen naast elkaar. Elf zijn wij, ha!, en nu kan het ‘echte echte’ spel gaan beginnen.

“Opa slaapt wel heel erg diep,” fluistert oma nogmaals, nu iets luider, “opa is vandaag echt echt-niet wakker te krijgen, ik heb alles al geprobeerd. Wat moet ik nou toch doen? Wie moet er met jullie door de duinen lopen als opa niet wakker wordt? Ik heb er geen tijd voor, ik moet nog naar de stad boodschappen doen.”

Opa’s grote blote voeten, met eeltige hielen elk bezaaid met twee grote bruine groeven en tenen lang en krom als wortels van een oude boom, steken als in rigor mortis voorbij de rand van het bed bloot en stijf in de lucht. Enge voeten, brrrr. Altijd die enge voeten.

“Wij weten wel wat er moet gebeuren oma.”

Tuurlijk,wat ging komen was in steen geschreven, zeker, opa zal heus wel wakker worden, maar pas op!  Je weet nooit wanneer dat grote lijf in beweging komt, het lijkt stijf als een etalagepop, maar opa is een biddende reuzenkat, op het juiste -altijd onverwachte- moment kan hij je ineens grijpen.

Lucien probeert het als eerste, stapt de grote kamer binnen en loopt direct naar het bed. Het grote bed staat met de lengtezijde naar de deur toe en opa ligt gelukkig altijd aan de deurkant op maar twee passen afstand. Lucien strijkt met zijn wijsvinger over ‘de voet met de geelste teennagels’.

Een kreun verlaat opa’s neus. De kreun blijkt een langgerekte snurk waar we niet echt van schrikken. We huiveren wel als een moment later de nasale bastonen overgaan in een hoog ijzig gefluit.

“Nee, nee, hij is niet wakker geworden. Jouw beurt!” zegt Lucien terwijl hij vergeet te fluisteren.

“Sssst,” zeg ik, bang dat ik weer, net als de vorige keren, de eerste van ons tweeen zou zijn. Want -oeoeh!- als opa wakker wordt, nou pas dan maar op, dan is de wereld te klein. Waarom laat ik Lucien toch altijd beginnen?

“Ga, ga, het is jouw beurt,” bevestigt Lucien nog eens, en hij duwt me de kamer weer in.

Ik stap naar binnen, bekijk dat grote oude lijf waar nu geen enkel geluid meer uitkomt. Het ligt doodstil op zijn rug in bed. Ook oma beweegt niet meer, zij heeft zelfs haar gezicht verborgen onder de dekens. Zij schrikt soms nog meer van opa dan wij.

Ik nader de voet, grijp van de voet met de geelste teennagels de grote teen en verbaas me er over hoe hard en ruw deze aanvoelt.. Hoe kan een teen zo lelijk zijn?

Nog net besef ik dat ik een paar tellen te lang heb stilgestaan. Met Opa’s misvormde teen nog in mijn hand weet ik het zeker:

Ik ben weer de pisang.

 

**

 

De schok waarmee opa ontwaakte, deed ons toch elke keer enorm schrikken. Nadat zijn lijf ineens rechtop stond begon hij  half lachend te bulderen. Steeds dezelfde oubollige verwensingen vlogen in onze richting. Woorden die meer gericht waren om oma te laten lachen dan bedoeld voor ons.

“Schorem en gespuis, kielhalen zal ik jullie, voor galg en rad groeien jullie op!”

De befaamde kieteldood was wel voor ons natuurlijk -en geen genade ditmaal!-, tot we echt niet meer konden ademen van het lachen en oma’s lieve stem opa met zijn voornaam aansprak:  Barend, genoeg schat, ik ga ontbijt maken voor de jongens. “Ja Baaarend”, aapten wij haar dan brutaal na, “genoeg schaaat”,waarna hij ons er bij de ‘dus-echt-niet-echt’ bestaande lurven en kladden nog een laatste maal flink van langs gaf.

Van ons tweeën was Lucien de eerste die opa’s ‘bedrog’ doorzag. Keer op keer speelde hij het zo dat ik als eerste werd gegrepen. Later begreep ik ook dat opa natuurlijk allang wakker was en wachtte op precies het juiste moment dat wij  hem, ongeduldig en overmoedig geworden, dicht genoeg naderden om ons te grijpen.

 

Mijn slimme broer Lucien…

 

Het elfspel-ritueel bleef uiterlijk hetzelfde, alleen de betekenis, de insteek, of  zo u wil, het motief om het te spelen, veranderde en daarmee werd het een ander spel.. Zo namen Lucien en ik op een gegeven moment de actieve rol als toneelspeler van opa over en het spel nu opvoerden om de nauwelijks ingehouden voorpret van onze grootouders te beluisteren als zij zich opmaakten voor onze komst. Ons plezier kwam er nu in te liggen dat wij hun fluistergesprekjes afluisterden als wij na een lange stilte op de gang moedwillig de krakende vloerplank van de onzichtbare spiegel annex Styx indrukte.

“Zijn zij nou al beneden Barend? Ik zweer je, ik hoor ze… heb ze gehoord, hoorde jij iets?”

Waarop opa met dezelfde humbug-stem ineens een Shakespeariaanse zin produceerde: Love is a smoke and is made with the fume of sighs.  Moehaha!.”

Oma giechelend als een jong meisje, ik denk, gadverdamme, dat we ze zelfs hebben horen vrijen toen we een keer te lang wachtten. Misschien waren ze zich bewust geworden dat we het spel net even anders speelden, en besloten daarop, baldadig als die twee soms konden zijn, ons een lesje volwassenheid te geven dat wij nog niet helemaal konden begrijpen. Misschien, maar ik denk het niet.

 

Er kwam een einde aan dit leuke ritueel, Lucien werd ziek, doodziek, en toen niet lang daarna ook mijn eigen bloed acuut in gif veranderde, was dit  leuke ritueel ten dode opgeschreven . Onze ziekte was een snelle inwijding in riten van de volwassen wereld.

Fantasie week voor werkelijkheid, planeetfeeën werden dode rotsen die maar wat ronddoolden in een oneindig vacuüm. De zolderkamer in Heemstede maakte plaats voor de kale slaapkamers van de kinderafdeling in de kankerkliniek. Toeval of niet, we hadden elf jaren geleefd toen hij wel en ik niet stierf…

 

**

 

Met een zacht klikken op de tafel wordt een vulling in en uit de vergulde huls van haar balpen bewogen .

Samuel kijkt naar de vrouw tegenover hem. Ze kijkt hem strak aan. Haar pen heeft ze zojuist neergelegd op de tafel. Haar hand rust op het plaatje met daarin,onaangetast door tijd noch mens, de polaroid. Geheel onverwacht werpt ze het plexiglas met grote snelheid over de tafel, niet in de richting van een van zijn handen, maar waarheen dan wel?

Volledig mis zoveel is duidelijk.

Dan, als het plaatje van de tafel afschiet en door de lucht schiet om tegen de muur te pletter te slaan, grijpt de hand van Samuel de foto in een katachtige reflex uit de lucht. De snelheid van zijn beweging was even onaards als de blik in zijn ogen. De vrouw laat zich enigszins verward weer in de leuningen zakken.

“Sorrie voor deze verkeerde inschatting…¨ Samuel gezicht plooide zich rondom een brede glimlach.

´Kunt u eens  beschrijven wat u op de polaroid afgebeeld ziet.´

De donkere vrouwenstem verraadt haar ware leeftijd. Begin zestig, weet Samuel, maar het had op haar frisse uiterlijk gemakkelijk 45 kunnen zijn.

“Goed, als u dat wil”.

“De foto laat vanuit vogelvluchtperspectief een groot bed zien met onder de dekens een doodziek jongetje. Zijn lijfje is door vele slangen en draden verbonden aan diverse apparaten die links en rechts naast het bed zijn geplaatst. Aan het voeteneinde, op handen en knieën, kijkt een ander jongetje naar de fotograaf met ogen waar alle menselijkheid uit is verdwenen.

Rondom het bed staan in nagenoeg perfecte cirkel alle volwassenen op gepaste, om mijn grootvaders adjectief te gebruiken, “eerbiedwaardige”  afstand van een tweeling die op het punt staat te sterven.

De fotograaf kon geen ander geweest dan mijn opa. Alleen hij had genoeg gevoel voor drama en kunst om in deze emotionele wervelstorm een notie te hebben van wat er gaande was. En alleen hij mocht en kon dichtbij genoeg komen om de foto vanuit dit standpunt te mogen nemen.

 

Hoe vaak opa en ik er nog over gefilosofeerd hebben later toen ik al volwassen was: “Een beest kwam in je boven Samuel, nee niet het soort beest dat aan alle dieren noemt voor zover hun basale instincten genoemd zijn en ook niet wrede beest dat alleen de mens kan zijn. Nee het beest in jou was weliswaar menselijk, maar het tegenovergestelde van wreedheid, een exces van menselijke liefde, trouw. Dat gaat voorbij aan alle wetten en normen. Daarom heb jij er ook geen levende herinnering van. Er bestaat geen taal voor. Geen tekens waarmee je geheugen het als nagels in je geest vastspijkert, integendeel”

Tijdens onze ziekte lagen we in gescheiden bedden op de kinderafdeling van de kankerkliniek. Er was maar één donor, en de ziekte was agressief. In situaties als deze, weet u,  zijn geneeskundigen nu eenmaal geen magiërs. Hun keuzes en afwegingen waren gebaseerd op en logica die niemand betwijfelen kan, zo onbewtistaar was ook het eindoordeel.

Met name de logische wet van het Tertium non datur, de nooit gegeven derde, vervloek ik tot de dag van vandaag. Dat meedogenloze logische principium dat elk midden, elke oorspronkelijke verbondenheid reduceert tot iets wat definitief voorbij is gegaan of oneindig uistelt, in beide gevallen effectief doodt.

Het is deze wet van lood die door de zoldervloer van mijn jeugd zakte. Wie kan zich verweren tegen het uitgangspunt dat het recht op leven toekent aan degene met de beste overlevingskansen? Dat dood dood is en niet niet dood niet anders kan zijn dan levend, is een vanzelfsprekendheid.

Maar is 1 leven meer waard dan 2 doden als de overgeblevene enkel leeft als een niet-dode?

U vindt mijn verhaal wat abstract worden?  Ok-ok, ik zal de kleine geschiedenis die vooraf ging aan het moment van de foto even helder voor u uiteenzetten.

Lucien kreeg als eerste die de bloedziekte en was er veel slechter aan toe dan ik toen ook mijn bloed ziek werd. De keuze dus was gemakkelijk. Hun keuze was gemakkelijk. De wet die elke verbondenheid vergeet, werd toegepast zonder schroom, zonder enige aarzeling.

Die vervloekte doctoren, de blinde rechters van een onrechtvaardige wet.

 

In de geruststellende wetenschap dat ik gered zou zijn accepteerde Lucien zijn naderende dood met een gelaten moed. Dat was de eerste barst in de spiegel, want deze gelatenheid kon niet ook de mijne zijn, ook al wist ik dat ik in zijn positie niet anders zou zijn. Dat hij zieker was dan ik maakt van hem toch geen ander?.

Vergeefs gesmeekt heb ik eerst de doktoren, daarna mijn ouders, en ten slotte de doodzieke Lucien, om het niet zo te laten zijn,  om mij en niet Lucien de donor te geven, om ons desnoods allebei te laten sterven. Maar deze muur van volwassen rede kon het kind dat ik was nog niet neerhalen.´

Nog niet?, vraagt u, nee, het was al ingehaald, al zo lang en breed dat het kind nooit heeft bestaan, maar dat komt nog, altublieft, mag ik mijn verhaal afmaken?

De vrouw knikt en maakt een aantekening.

“Weet u wel wat u heeft aangericht?!!”, scheen ik geschreeuwd te hebben tegen de behandelend arts niet lang nadat ik ontwaakt was uit de narcose. Met  behulp van een slaapmiddeltje en zonder aankondiging werd ik geopereerd en had men dit vreemde, dode weefsel in mijn botten geplant. Ik vervloekte alles en iedereen, mijzelf incluis, toen hij mij vertelde dat ik zou blijven leven. Mijn gehuil en gekrijs schijnt door merg en been van het aanwezige medische personeel gegaan te zijn. Deze arts zelf had, in een moment waarin ik even stil was, snel de kamer verlaten en heeft, zo vertelde mijn grootmoeder later, op de gang samen met vier verpleegsters die op het geschreeuw af waren gekomen ‘een flink potje staan janken.’ Zo woest was ik dat ik zelfs opa nauwlijks tolereerde. De medici waren niet de enige die de gang hebben moeten opzoeken, denk ik zo.

Ik bleef dus leven.  Ik was vervloekt.

Lucien was de gelukkige, de uitverkorene, niet ik. Ik haatte hem erom en toonde, tot afschuw van alle volwassenen, bitter weinig sympathie voor zijn aanstaande dood, laat staan enig medeleven voor de fnuikende pijnen die hem daarnaartoe begeleidden. Mijn wraak nam ik tijdens de laatste dagen die hem gegeven waren. Bij hoge uitzondering mocht ik vervroegd naar huis, nota bene terwijl ik nog herstellende was van de operatie, om bij Lucien te zijn terwijl hij zijn laatste dagen thuis in Haarlem mocht slijten onder begeleiding van de zachte sedatieven die hem met steeds grotere kwantiteit en hogere concentratie werden toegediend. Ik liet me niet zien in de kamer waar Lucien met steeds zachter wordende stem naar mij bleef vragen..

“Hij mag dood!”

Mijn arme ouders wisten zich geen raad. Nadat ik de kinderpsycholoog die zij in de paniek uit een nabijgelegen kliniek hadden opgetrommeld het huis had uitgejaagd, kon geen enkele volwassene me meer tot rede bewegen. Een boze chimpansee was ik, bijtend, krijsend en gooiend met alles wat voorhanden was.

Het zou nog erger worden.

Mijn grootvader vertelde me later dat er een ongekende drang me ineens naar Lucien trok. Ik voelde zijn pijn onder mijn navel, zijn schreeuwen in het gesuis binnen mijn oren, zijn verlangen in de slagen van mijn hart, Lucien riep me.

Ik moest bij hem zijn.

 

“Stomme Lucien”, zei ik, terwijl ik op het hoge bed klom en naast hem ging liggen “wat doe je nou?”.

Zijn lippen bewogen niet, zijn gesloten ogen maakten geen enkele onderhuidse bewegingen, zijn hand kneep niet zachtjes in de mijne, maar zijn antwoord bulderde als een soort atoomflits door al mijn cellen.

Daarna werd alles zwart.

Het geweld en de kracht waarmee ik vervolgens eerst mijn vader van het bed af zou hebben geworpen en vervolgens twee van mijn ooms tegen de vlakte sloeg toen zij me tot bedaren wilden brengen, is een familielegende geworden.

Grommend als een wolf beschermde ik mijn stervende broer. Grommend keek ik ook naar opa toen hij deze foto nam.

 

**

 

´Nee, ik heb geen herinnering van dat alles. Niets.  Alles was anders daarna. Toch heb ik nog eenmaal de aanwezigheid van Lucien gevoeld, een keertje slechts.

Na de dood van Lucien heb ik mijn verjaardag  niet meer gevierd en natuurlijk ook het elfspel niet meer gespeeld. Op één keer na. Ongeveer een decennium na de dood van Lucien, toen mijn grootvader zelf in een Amsterdams universiteitshospitaal voor de laatste maal bij bewustzijn kwam. Weggeroepen uit Parijs waar ik werkte en na een lange treinreis, had ik moeten rennen door de lange ziekenhuisgangen om op tijd te zijn.

Ik telde mijn passen tot 111, en  hield daarna op. Het scheelde weinig of ik was te laat de ziekenhuiskamer binnengestormd waar mijn grootvader, omringd door zijn kinderen en een paar kleinkinderen, het laatste restje warmte van zijn lijf aan de wereld terug aan het geven was. Zonder dat er een woord was gewisseld verwijderde de aanwezigen zich angstig van het bed waarop opa lag. Oma zat op een stoel naast het bed, en wilde juist opstaan, maar ik hield haar tegen, kuste haar op de hand en vervolgens op de wangen.

“Blijf er maar bij.”

In een vlaag van emotie kon ik oude reflexen niet onderdrukken en kriebelde liefdevol met een vinger onder zijn ijzige voeten .

”Opa, ik ben het, Samuel.”

Dat opa door diverse cocktails van pijnstillende middelen te ver heen was om de glimlach die toen op zijn gelaat verscheen bewust te trekken, heb ik, noch mijn oma of de andere aanwezige familieleden ooit geloofd. Half zittend met mijn bovenlichaam naast het zijne, legde ik mijn door koud zweet en tranen bedekte hoofd op een kussen dat  oma voor mij naast dat van opa had neergelegd,

Juist toen ik keek naar zijn slapende gelaat om zijn glimlach met de mijne te beantwoorden, stootte de stervende als uit het niets ineens een harde roggelende kreun uit. Niet alleen ik, maar alle mensen schrokken zo verschrikkelijk, dat alleen een schaterlach in koor van zeker een half uur lang  soelaas bood. Er leek geen eind aan te komen.

Het was op dit vrolijke moment, zo stelden wij niet lang daarna nog lachend, loeiend, huilend vast, dat de geest van opa had besloten zijn lichaam te verlaten en tevens de laatste keer en waarop -voor mij alleen-  Lucien zich liet zien.

Hij lag aan de andere kant van het bed, nog steeds gehuld in zijn pyjama en met zijn arm op de borst van opa’s bleke lijf, richtte zijn gezicht naar mij toe en keek door mij heen zoals alleen een geest door een mens dat kan.