Manzaralar (Uitzichten)

 

Zaterdag, 29 oktober, Galatabuurt, Istanboel

Tulpen ziet ze niet voor het eerst in zijn slaapkamer. Ze ligt ook niet voor het eerst in zijn bed, al is het wel de eerste keer dat ze in dit ruime bed voor de tweede opeenvolgende ochtend wakker wordt. Details die haar eerder niet waren opgevallen, lijken nu om aandacht te vragen. Ze ziet dat de tulpen geel en rood zijn en niet in een vaas, maar in een oude karaf waren gezet die voor de helft met water was gevuld. De tulpen zijn nog fris, ze zijn hooguit twee of drie dagen eerder afgesneden.

        Tussen abstracte patronen op de oude kelim aan de muur zijn geblokte tulpen ingeweven. Ook de acht glazen lampjes van de kleine barokke kroonluchter aan het plafond zijn in de vorm van een tulp geblazen.  Een abstract tulpenmotief strekt zich herhalend uit op de beige gordijnen. Door het open raam sijpelen geluiden van kooplui, claxonnerende auto’s en schuifelende toeristen de slaapkamer binnen. De geur van versgebakken brood verdring bijna de stadsstank van benzine en uitlaatgassen. De ochtend heeft de stad al uren geleden in beweging gezet.

Ik ben verliefd op een Turkse tulpenman, bedenkt ze.  Ze heeft geen idee of tulpen prijzig zijn in Istanboel. In Nederland zijn tulpen niet zoals ooit in de Gouden Eeuw een teken van rijkdom, dat weet ze zeker. Toch verbaast die kakofonie van tulpen haar.  Het past niet helemaal in het beeld dat ze van Nadir en Turkse macho-mannen heeft.

‘Waar is mijn teerbeminde..? Heeft mijn Atatürk..’- met een gestrekte arm tasten haar vingers door het bed en vinden een warme, tot haar lichte teleurstelling, lege plek..

-’mij alweer verlaten?’

Met een korte heupbeweging verplaatst ze haar lichaam naar de plek waar hij zo-even nog moet hebben gelegen. Als een weemoedige vrouw die jaren geleden haar man heeft verloren en een ongewassen kledingstuk van hem heeft bewaard, wentelt ze zich snuivend in zijn geur. Ze sluit haar ogen en zou weer in slaap zijn gevallen als die bekende, bulderende lach niet uit de keuken daar een stokje voor steekt.

Nadir telefoneert met een goede vriend. Ze hoort zijn geschuddebuik niet verstommen, maar naderen. Als ze haar ogen opent, ziet ze hem naast haar op het bed zitten met alleen een handdoek om zijn middel; zijn bolle behaarde buik glinstert onbeschaamd naakt in het felle ochtendlicht. Ze voelt hoe zijn linkerhand onder de dekens een weg zocht naar haar heupen en ziet hoe hij in zijn rechterhand, tussen duim en wijsvinger, nonchalant een sigaret vasthoudt.

‘Jouw Atatürk?,” zegt hij lachend. ‘Je weet toch dat er best veel mensen zijn die ervan overtuigd zijn dat hij een homofiel was?’..

Tot zijn verbazing zag hij Alexandra verschrikt opkijken,

‘Nee, niet ik,” stamelde hij, “de echte Atatürk… ik mag hopen dat je inmiddels wel ervan overtuigd bent dat ik niet…’

‘Natuurlijk weet ik dat, rare man, en over Atatürk’s vermeende aard heb je me genoeg verteld,’ zegt ze hoofdschuddend, ‘maar in dit land wordt zoveel geroddeld, zeker als het gaat om een gevierd vertaler van al die onzedige boeken uit het Westen.’

Nadir kijkt beteuterd. ‘Pestkop. Waarom wil je me niets vertellen over het gesprek met je patiënt?’

‘Lieverd, het is mijn patiënt, mee niet. Bovendien worden alle gesprekken een-op-een gevoerd. Over de inhoud, je weet dat ik daar niets over kan zeggen, beroepsgeheim, behalve dan, dat hij vooralsnog een raadsel is voor me is.’

‘En ik ben een open boek, zeker..’

‘Ik ben blij met jou, er zijn weinig mannen die mij zo goed van mijn werk af kunnen houden.’

 

Nadir voelt hoe haar lippen op zijn rug kus na kus in naar zijn nek toekruipen. Alexandra heeft haar hand op zijn schouder gelegd en trekt zich al kussend omhoog totdat zij, zittend op haar hurken achter hem, haar knieën en beide armen om zijn grote lijf kan klemmen.

Ik ben het boek dat zich opent voor jou.’

‘Moet je niet iets zeggen over mijn sigaret? Dat doen westerse vrouwen namelijk altijd.’

Alexandra kan de neiging om in zijn oorlel te bijten weerstaan. ‘Alle westerse vrouwen… Ik ben niet al jouw westerse vrouwen. Nee lekkere man, rook lekker je sigaretje. Je raki en sigaret zijn heilig, zoveel weet ik ook nog wel van Turkse mannen van jouw leeftijd.’

Nadir proest het uit en plaatst blind zijn hand op het warme vlees tussen haar gehurkte benen achter zijn onderrug. Alexandra voelt een aangename schok door haar lijf golven.

“Niet alle clichés van Turkse mannen zijn waar. Ook niet als ze mijn leeftijd hebben. Ik zal je leren wat oude Turkse mannen doen met brutale vrouwen…”

Nadir draait zich om en voor ze goed en wel beseft wat er gebeurt, zweeft haar naakte lijf al door de lucht. Verschrikte benen scheren rakelings langs de kroonluchter. Even vreest ze dat hij haar met een grote boog op het bed zou werpen, maar ze landt zacht op zijn schoot. Een stevige arm omhelst haar bovenbenen en een gespreide hand ondersteunt teder haar hoofd. Onder haar billen voelt ze zijn geslacht snel hard worden. De kracht van zijn lijf als hij haar als een baby heen en weer wiegt, windt haar op, haastig zoekt nu haar hand een weg naar die kleine boom van verlangen onder haar.

“Bebeğim, mijn baby’tje, wat wil je nou?”

“Pas je een beetje op dit oude lijf, bruut, en wat ik wil ligt voor het grijpen.”

‘Ahh, mooi lijf”, verbetert hij. Zijn arm laat haar benen los. Alexandra voelt hoe de nagels van zijn vingers patroontjes maken op haar onderbuik. Met haar lichaam richt ze zich op,  met beide handen om zijn penis neemt ze ongegeneerd bezit van zijn schoot.

Dan, als uit het niets, ook tot haar eigen verbazing stelt zich ineens een vraag door haar mond, ‘Wat heb jij eigenlijk met tulpen?”

Nog voor ze zijn gezicht zag betrekken, en een lange stilte viel, wist ze het antwoord.

***

Nadir had  wel vaker over Mehtap gesproken. ‘Meer dan eens en telkens op een onverhoeds moment,’ bedacht Alexandra en hij wijdde dan nooit lang over haar uit. Ze kende Nadir een week of twee, en had hem ontmoet vlak na haar verhuizing naar Istanboel.

De eerste keer dat Mehtap tijdens hun gesprekken de kop opstak, kon Alexandra zich goed herinneren. Nadir had haar op warme avond meegenomen naar Kadıköy, de mooie restaurantrijke buurt aan de overkant van de Bosporus, aan de oevers van het Aziatische deel van de stad. Dat was nog niet lang geleden, besefte ze, eigenlijk niet meer dan een paar weken, al voelde die korte tijd als een eeuwigheid. Ze hadden afgesproken bij Eminönü waar de oude veerboten aanlegden aan de kade in de Gouden Hoorn. Hun rendez-vouspunt was Eminönü,  de Europese kade aan de Gouden Hoorn waar oude, bonkige stadsveerboten aanlegden om de Istanboellers te brengen en te halen.

Op het achterdek van de veerboot voelde Alexandra voelde zich een toerist onder de toeristen. Ze zag hoe de mooie schaduwen van Topkapi-paleis en de grote moskeeën het silhouet van de historische stad tekenden op de rode horizon van ondergaande zon. Nadir vertelde over een oude schrijver, die zijn leven lang in Istanboel had gewoond, en die nooit zijn gevoel van schoonheid voor de stad had verloren.

‘Zijn korte verhalen zijn nog steeds het mooiste literaire stillevens die de Turkse literatuur heeft voortgebracht. Deze schrijver heeft moeten vluchten, zijn pen was, hoewel hij vooral de schoonheid van het alledaagse beschreef, te scherp in de ogen van de militairen. Hij versleet noodgedwongen zijn oude dag als balling in een grijze buitenwijk in Moskou. Hij huilde nog elke dag als een vrouw zodra zijn geliefde Istanboel ter sprake kwam, zo verkleefd was zijn levensgeluk met oude heuvels van deze stad.’

“Als een vrouw?,” plaagde Alexandra.

“Nou, als een kind, bedoelde ik”

Nadir lachte zo luid dat Alexandra haar feministische snedigheid snel vergat en met haar vinger zijn hand aanraakte.

In het restaurant verliep hun gesprek met de doorleefde frivoliteit van twee mensen die elkaar in de herfst van hun leven hadden gevonden. Leeftijd en ervaring hadden beiden van genoeg humor en tact voorzien om alle toevallig aanstipte gevoeligheden te omzeilen. Natuurlijk vroeg Nadir Alexandra alles vertellen over de vordering van haar plannen in Istanboel een psychoanalytische kliniek op te zetten.

‘Een psychoanalytische kliniek?’, had Nadir verbaasd gevraagd, ‘de basis van de psychoanalyse is toch de taal, en is een kliniek niet juist ten behoeve van niet de ernstige gevallen, mensen zonder chemische balans in het hoofd?’

        ‘Dat klopt,’ had ze geantwoord, maar de Nadir’s grote bruine ogen dwarrelden inmiddels langs haar nek en boezem, en ze had geen zin om het nu over de Millariaanse beginselen rondom spraaksociabiliteit & de impregnatie van het verlangen door de taal te hebben.

‘We hebben het er nog wel eens over,’ zei ze snedig.

Veel over haar werk wilde ze er tegen deze leuke vreemdeling überhaupt nog niet veel delen. Datzelfde gold voor haar baan en de psychiatrie en de psychoanalyse, al wilde hij er alles over weten. Ze wist niet goed waarom, misschien was na de symbiotische relatie met Millar -met wie ze werk en liefde jarenlang deelde- toe aan een vrije ruimte waarin ze uitsluitend liefde kon delen. Toch twijfelde ze, even of ze Nadir zou gaan vertellen over de handgeschreven brief van ene Samuel van der Zanten, die een maand voor haar verhuizing  in haar brievenbus vond. Een bijzonder vreemde brief waarin de schrijver over van alles uitweidde en pas in de laatste zinnen de vraag stelde hij in de nieuwe kliniek geplaatst kon worden. Samuel stelde voor dat hij in Istanboel wel contact zou opnemen om een afspraak te maken.  

Het gesprek was aangenaam, een verkenning, de onderwerpen veilig: eerst over de kunsten en later ook de literatuur: over westerse romans, de klassiekers, toen over de schrijvers en daarna over hoe en welke boeken hun leven in een nieuw perspectief hadden gezet.

Hun aangename dialoog veranderde in zijn aangename monoloog toen Alexandra over Marguerite Yourcenar begon. Zij bleek de schrijfster te zijn van Nadir’s favoriete roman. Nadir wijdde zonder schroom, in wat wel een half uur leek, met veel mooie woorden uit over het ‘meesterwerk’ van deze ‘koningin van het schrijversgilde’, de “illustere Mémoires d’Hadrien.”

Een vriendelijke ober, een jonge man van een jaar of twee-, drieëntwintig met helderblauwe ogen, onderbrak Nadir’s woordenstroom met een beleefd “alstublieft” toen hij de tweede ronde mezeler uitserveerde. Toen hij zich voorover boog om de gerechtjes op de tafel te zetten, viel het Alexandra op dat hij zijn andere hand op Nadir’s schouder liet rusten. Dit restaurant, dat op het uithangbord buiten met de vreemde naam Koreli werd aangeduid, was volgens Nadir om zijn mezeler beroemd in heel Istanboel.

“Het beste restaurant van Kadıköy en dus van Istanboel”

Alexandra trok een lachend, licht spottend gezicht. De overdreven woorden van Nadir waren niet uitsluitend ironisch, er was ook een hint in verpakt. Ze was niet zo naïef en onbekend met de Turkse gebruiken om te denken dat de goede naam en bekendheid van dit restaurant op iets anders was gebaseerd dan de familie- of vriendschapsrelatie die Nadir met ongetwijfeld onderhield met de eigenaar van dit restaurant.

Dat bleek natuurlijk het geval, maar wel op een andere manier dan ze verwacht had. Dat nam niet weg dat de mezeler bijzonder goed smaakten. Het was haar al opgevallen dat er aan de muren van het restaurant over kleine boekenkasten waren geplaatst vol met grote vertaalde werken. Anna Karenina, Ulyssus, De Idioot, van alles schoot voorbij aan haar oog.

Nadir liep telkens als een boek ter sprake kwam naar een van de kasten toe, om het exemplaar waar ze het over hadden er bij te halen. Waarschijnlijk kwam hij hier vaak met zijn vrienden, en was het vooral een reflex om de betreffende passages erbij te halen en hard op voor te lezen. Het Turks van Alexandra was echter nog niet goed genoeg om alles te begrijpen, maar dat deed niets af aan Nadir’s enthousiasme. Hun tafel lag bezaait met ongeopende boeken die zich in lage stapeltjes tussen de borden en glazen verzameld hadden.

‘Jij bent vertaler, ligt hier niet iets van jou? Nee, wacht, niets zeggen, ik ga zelf op zoek.’

Alexandra stond te snel om Nadir’som  geschrokken gezicht op te merken. Na nauwelijks een halve minuut kwam ze vol trots met een grijsgekaft boekje aangelopen.

“Waarom vertelde je me niet dat jij het Hadrianusboek hebt vertaald? Dat is jouw naam toch, Nadir Yaremi?. ’

‘Dit boek is nog steeds zeer populair bij veel Turkse schrijvers en uitgevers..’, begon Nadir. Dat was geen antwoord op haar vraag, stelde ze vast.

‘Atatürk heeft eens met Yourcenar in Istanboel gedineerd hebben aan het begin van haar reis door Turkije. Turkije’s grondgebied was nu eenmaal een welvarend gebied van het Romeinse rijk en vaak door de reislustige keizer bezocht. Yourcenar zou zozeer onder de indruk van onze vader des vaderlands zijn geraakt, dat zij daarna in grote lijnen het karakter van Hadrianus op hem heeft gebaseerd.’

‘Daar geloof ik niets van!, zei ze, terwijl ze het boekje op de tafel neerlegde. Alexandra dacht dat ze in de maling genomen werd, ‘dat verzin je ter plekke. Wie denk je dat je voor je hebt?’

Nadir knikte haar lachend toe. “ Een aantrekkelijke, slimme vrouw…. geloof me, ik heb veel onderzoek gedaan naar het ontstaan van dat boek…en bovendien is het toch een gotspe om zoiets te suggereren? Hadrianus was van de mannenliefde, Atatürk toch niet? Althans, dat gelooft toch geen Turk? “.  Nadir kon het niet laten zijn vinger schoolmeesterachtig in de lucht te zwaaien. Alexandra begreep de ironie van zijn woorden en keek hem aan met een blik van ‘kom maar op’.

Buiten, niet ver van het restaurant schreeuwde een kleine jongen om zijn moeder. Alexandra zag de kleine jongen met een breed gezicht door de glazen deur van het restaurant brullen van ellende. Een paar seconden was het alleen op de wereld. Net toen ze op wilde staan zag ze een jonge vrouw met een hoofddoek en een modieuze aba, de jongen optillen en troostende woordjes prevelen. Hun ogen ontmoetten elkaar in een blik van verstandhouding die alleen vrouwen kunnen uitwisselen. De jonge vrouw bleef even stilstaan, groette discreet en vervolgde toen haar weg, haar kind dicht op haar borst geklemd.

Nadir, die van dit alles geen notie had, vervolgde onvertogen zijn woord: “In Turkije is alles net niet zoals je denkt dat het is, zelfs voor Turken is het moeilijk om exact te kunnen bepalen wat wel en wel niet gezegd kan worden. “Onderwijs mij dan maar, o leraar van mij, wierp ze hem plagend tegen in gebrekkig Turks.

“De tijd dat je bij het minste of geringste kritiek op Atatürk wordt opgepakt, lijkt wel een beetje voorbij. Nu zijn religie en de president de onaantastbaren. Er is veel over gespeculeerd over Kemal’s  seksuele geaardheid. Ronduit beweren dat hij homoseksueel was durven veel van mijn landgenoten overigens nog steeds niet, maar het kan wel.”

Mij interesseert het weinig. Ik weet alleen dat Yourcenar die ene keer dat zij elkaar ontmoetten erg van hem gecharmeerd was en hij van haar.’

‘Hoe weet je dat?’

‘Dat heb ik samen met Mehtap ontdekt.’

‘Wie is Mehptap?’

Achter de bar was de jonge ober bezig glazen te spoelen. Hij had gezelschap gekregen van een oudere man, de eigenaar waarschijnlijk, die de blinkend schone glazen terug zette in de schappen. Nadir draaide zich kort om en wisselde een korte blik met de oudere man en richtte zijn aandacht vervolgens weer op Alexandra..’kijk eens naar het boekje, haar naam staat er ook op.’

‘Maar wie is ze?’

‘Mehtap..’, hij sprak haar naam heel zacht uit. De eigenaar fluisterde iets in het oor van de jongen en spoedde zich naar de tafel van Alexandra en Nadir. -’Mehtap, Nadir herhaalde haar naam nu luider, ‘was mijn vrouw. Ze is al een jaar of twintig geleden overleden. Jong gestorven. Dit boek hebben we samen vertaald, toen we nog studeerden.’

‘Is alles naar wens Nadir?’, vroeg de kleine restauranthouder. Wil je me voorstellen aan jouw charmante gast?”

***

Alexandra kijkt naar de grote slapende gestalte naast haar. Zijn gesnurk doet de tulpenbladeren bijna trillen. Een kort moment had ze het vreemd gevonden toen het hele gezin Kiliç prompt aanschoof, maar al snel begreep ze dat de reden van deze ogenschijnlijke indiscretie de gekwetste ziel was van de man die inmiddels naast haar de rest van ochtend wegslaapt. De familie beschermde hun lieve vriend tegen een verdriet dat hem nog altijd op een ongecontroleerd moment door het hart kon steken.

***

De kleine man die zich zo brutaal voorstelde was Sait Kiliç. Sait bleek de oudere broer van Mehtap te zijn en was na haar dood de boezemvriend van Nadir geworden. Sait vertelde dat hij met zijn zusje Mehtap en Nadir op dezelfde universiteit gestudeerd hadden, zij het een paar jaar voor hem. De bewijzen van zijn geleerdheid, al Sait’s diploma’s, met zijn bul en dissertatie in een kitscherige gouden lijst bewaard bovenop, werden tot Alexandra’s verbazing op de tafel gelegd, bovenop de stapeltjes literaire werken die er nog lagen. Hoewel hij politicoloog van opleiding was kon hij zijn vader niet aandoen, een Korea-veteraan, niet in zijn voetsporen te treden als kok en restauranthouder. De jonge ober was Sait’s zoon, Nâzim. Later zou zijn vrouw Ayse ook nog aanschuiven. Ayse, eveneens klein van stuk met een rond mollig lijf en een lachend gezicht, was is al haar aardsheid en opgeschoten Engels een welkome stem naast die van de twee intellectuele kerels. Ze vertelde hoe gek zijn zoon is op Nadir: ‘hij is de tweede vader van Nâzim.’

‘En helaas ook twee handen op een buik als het gaat om hun eigengereide meningen,’ vulde Sait aan en gaf Nâzim een harde kus op zijn wang. De jongen liet de ostentatieve gebaren van zijn vader gedwee over zich heenkomen.

Al heeft hij mijn zoon wel verpest met al die boeken van hem. Nâzim studeert literatuurwetenschap, niet eens politicologie zoals zijn vader. Al die romans en poëzie, louter mooie woorden,’ Sait schudde met zijn hoofd, ‘maar inhoud… yok.’ Nâzim gaf in een reactie zijn vader plagerig een kus op zijn handen, en wilde zijn vader’s hand vervolgens op zijn voorhoofd leggen volgens het oude Turkse gebruik tussen vader en kinderen, maar kreeg een zachte oorvijg. ‘Een vlegel ben je, je weet best dat ik de pest heb aan die oubollige etiquette. Mijn oude baas niet trouwens, en jouw vader ook niet Nadir, moge zij beiden in het maagdenrijke paradijs een mooi huis hebben gevonden.’

Ayse schonk de mannen nog wat raki in en serveerde de fles wijn uit in de glazen van Alexandra en zichzelf. Met een ongeruste glimlach keek ze naar hoe haar man en zoon met elkaar stoeiden. Nâzim, jonger, groter, en sterker dan zijn vader, was zich al bewust van zijn kracht, maar Ayse was daar nog niet zo zeker van en vreesde die vader-zoon stoeipartijen. Ze schraapte haar keel, keek naar Alexandra en vroeg luid in haar gebroken Engels:

‘Hoe jij nou hier in deze grote stad gekomen en de leukste – behalve kleine babbelaar van mij natuurlijk- man van allemaal aan haak geslagen?’ Het geravot van vader en zoon hield acuut op. Beiden keken met verwachtingsvolle blik naar Alexandra, die in wat resteerde van de avond alleen antwoord zou geven op het tweede deel van de vraag.

***

De enorme handdoek die een uur geleden nog om Nadir ‘s heupen was gewikkeld raapt ze van de grond valt als een toga om haar lichaam heen. Haar ronkende minnaar kust ze op zijn voorhoofd. Erg diep slaapt hij niet, maar de slaap zal hem goed doen, weet ze.

Met de asbak in haar hand, loopt Alexandra naar open keuken in de hoek van de huiskamer, om thee te zetten en de peukjes weg te gooien. Van de geur van uitgedoofde sigaretten houdt ze niet. Ze ziet haar tas op het aanrecht staan waar ze die ongetwijfeld gisteravond heeft neergezet. Ze weet het weer en vervloekt zichzelf, oude kleptomaan, en vist uit het leren buideltje het grijze Hadrianusboekje dat ze nu al een paar weken met zich meedraagt. Ze bekijkt boekje aandachtig. Op de achterkant, boven een paar alinea’s achterflaptekst ziet ze tot haar verbazing een kleine zwart-witfoto van een oude Atatürk met tegenover zich een piepjonge, charmante Marguerite Yourcenar. Beiden steken een arm naar elkaar uit, Mustafa ’s hand Kemal houdt een tulp vast.

Huilend loopt ze terug naar het bed. Haar schokkende lijf doet Nadir in een schrik ontwaken. Ze maakt hem duidelijk dat er niets aan de hand is en wijst op de foto. ‘Deze tulp uit Istanboel, de gift van de grote Turk aan de grote schrijfster’ fluistert Alexandra zacht,

‘dat waren jullie.’